Wetgeving archeologische monumentenzorg

Als uitvloeisel van de ondertekening van het Verdrag van Malta (1992) is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Met de daaruit voortvloeiende herziening van de Monumentenwet 1988 zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De Monumentenwet (nu opgenomen in het overgangsrecht Erfgoedwet 2016 tot inwerkingtrede van de Omgevingswet)  regelt de bescherming van archeologisch erfgoed en de inpassing van archeologische waarden in de ruimtelijke ordening. Daarnaast stelt de wet dat de financiering van onderzoek dat voortvloeit uit een onontkoombare verstoring van archeologische waarden ten laste van de initiatiefnemer komt. Het genoemde onderzoek omvat het volledige archeologische proces zoals beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse  Archeologie (KNA). Beginnend bij bureauonderzoek en indien nodig vervolgonderzoek welke kan bestaan uit een verkennend/karterend booronderzoek, proefsleuf of archeologische begeleiding op basis van vooraf door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen. In het uiterste geval kan sprake zijn van opgraving.

De nieuwe wetgeving had voor Nederlandse gemeenten vergaande consequenties, vooral ten aanzien van de zorg voor het archeologisch erfgoed. Vanaf het moment van ondertekening van het Verdrag van Malta in 1992 is door de rijksoverheid beleid ontwikkeld om tot een zorgvuldige omgang met dit archeologisch erfgoed te komen, met als uitgangspunt het behoud van archeologische waarden “in situ”. Met de inwerkingtrede van de Wamz (2007) en de herziening van de Monumentenwet (1988) zijn overheden wettelijk verplicht om archeologische waarden mee te laten wegen in ruimtelijke planprocedures.

Kijk voor meer informatie op de website van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en het archeologieportaal van de rijksdienst.